Mensen kunnen zich straks makkelijker inschrijven als werkzoekende om een uitkering aan te vragen. De landelijke invoering van het zogeheten Digitaal Klantdossier (DKD) maakt dit mogelijk. Het DKD brengt gegevens van klanten van CWI (bemiddeling bij werk), de uitkeringsinstantie UWV en de sociale diensten van gemeenten bij elkaar. Alle partijen – ook de klant zelf – mogen deze gegevens inzien en gebruiken. Daardoor hoeven klanten van deze instanties hun gegevens in het vervolg nog maar één keer te verstrekken.
Dit is het resultaat van een proef die de gemeente Den Haag met regionale vestigingen van CWI en UWV de afgelopen drie maanden heeft gedaan met het digitale klantdossier. De resultaten van deze proef zijn bemoedigend voor de landelijke invoering van het DKD. Een aantal gemeenten neemt vandaag het initiatief van Den Haag symbolisch over. De proef toont aan dat het mogelijk is om in de hele keten van werk en inkomen gegevens te delen en die ook zichtbaar te maken voor de klant.
Klanten van deze organisaties kunnen met het DKD in de toekomst via internet hun eigen digitale dossier bekijken. Een unieke code (DigiD) geeft hen toegang tot hun persoonlijke gegevens. Zijn die onjuist, dan kan de klant ze laten aanpassen. Naast het inzien van gegevens kan de klant ook digitaal aanvragen indienen voor een werkloosheids- of bijstandsuitkering. De bekende gegevens worden automatisch ingevuld, zodat de klant dat niet meer hoeft te doen.
De huidige versie van het DKD is nog een begin. In de toekomst moeten ook gegevens van andere instanties worden opgenomen in het dossier, zoals van de Informatie Beheer Groep, de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank. Steeds meer organisaties kunnen zo hun klanten beter helpen zonder naar allerlei gegevens te hoeven vragen die de klant al eerder heeft opgegeven.
Het DKD speelt in op eisen uit de Wet op de eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen (WEU). De Tweede Kamer heeft deze wet onlangs aangenomen. De nieuwe wet verbiedt organisaties die regelingen zoals de WW en bijstand uitvoeren bij hun klanten gegevens op te vragen die al bij hen of bij andere uitvoeringsorganisaties bekend zijn.
Het programma DKD, een samenwerkingsverband van CWI, UWV, VNG en de organisatie van sociale diensten Divosa, heeft het digitaal klantdossier ontwikkeld. Dit gebeurt in opdracht van staatssecretaris Aboutaleb van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Van 2005 tot en met 2007 heeft SZW 49,5 miljoen euro uitgetrokken voor de invoering van het DKD.
De gemeenten die het DKD-stokje vandaag overnemen zijn: Alkmaar, Alphen aan den Rijn, Apeldoorn, Capelle aan den IJssel, Ede, Tilburg en verder een samenwerkingsverband van de sociale diensten van Baarn, Bunschoten en Soest en het samenwerkingsverband ISD Optimisd waarvan deel uitmaken Schijndel, Sint Michielsgestel en Veghel. Per 1 januari 2008 sluit ook de gemeente Bernheze zich aan bij ISD Optimisd.
Jongeren slecht voorbereid op financiële zelfstandigheid
Te veel ouders verzuimen hun kinderen op een goede manier voor te bereiden op een financieel zelfstandig bestaan. Dat is de conclusie van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting naar aanleiding van een onderzoek naar Financiële Opvoeding. Volgens het Nibud beginnen ouders te laat met het geven van zakgeld, geven te weinig ouders kleedgeld en leren weinig ouders hun kinderen internetbankieren. Bovendien zijn veel ouders van mening dat hun kinderen geen eigen geld nodig hebben, omdat zij alles voor hun kroost betalen. Onverstandig, meent het Nibud. Ouders beseffen niet dat ze hiermee hun kinderen de kans ontnemen te leren omgaan met geld. Op hun achttiende zijn jongeren financieel zelfstandig, zonder dat ze hebben geleerd om te gaan met een vast geldbedrag waarmee ze een maand moeten doorkomen. Reden voor het Nibud om te komen met het boek Financiële Opvoeding? Dat doe je zo! en een Financiële Opvoedtest voor ouders.
Nibud roept ouders op zak- en kleedgeld te geven
De meeste ouders geven hun kinderen pas zakgeld als het kind negen jaar is. Volgens het Nibud kan dat al vanaf zes jaar. Ook krijgen opvallend weinig jongeren kleedgeld. Slechts 30% van de jongeren tussen de twaalf en veertien jaar. De meeste ouders vinden hun kinderen te jong om zelf kleding te kopen. Het Nibud adviseert ouders vanaf twaalf jaar te beginnen met kleedgeld. Het Nibud ziet zak- en kleedgeld als leergeld. Het gaat er niet om of een kind geld nodig heeft, het gaat erom dat een kind leert begroten en keuzes leert maken die financiële consequenties hebben. Door het kind een eigen kledingbudget te geven, leert het met behulp van de ouders verantwoorde financiële beslissingen te nemen.
Mobieltje vaak door ouders betaald
Zo’n 70% van de kinderen tussen zes en achttien jaar heeft een mobiele telefoon. Bijna eenderde van de ouders betaalt alle kosten daarvan. Hoe ouder het kind, hoe vaker hij zelf alles betaalt. Ruim de helft van de jongeren tussen vijftien en achttien jaar betaalt zijn mobieltje en de belkosten zelf. Veel te weinig, vindt het Nibud. Jongeren moeten leren dat ook bellen geld kost en dat ze ook die uitgaven in de gaten moeten houden willen ze niet financieel in de knel komen. Een mooie manier om te leren omgaan met vaste lasten.
Aankopen via internet
Driekwart van de kinderen tussen twaalf en veertien jaar heeft een eigen betaalrekening. Maar de meeste ouders vinden het niet goed dat hun kind zijn bankzaken via het internet regelt. Ook zijn ouders huiverig om hun (ook oudere) kinderen via internet aankopen te laten doen. Weinig ouders leren hun kinderen internetbankieren. Een gemiste kans, vindt het Nibud. Aankopen doen via internet wordt steeds populairder. Ouders zouden hun kinderen hier juist goed op moeten voorbereiden.
Nieuw boek: Financiële opvoeding? Dat doe je zo!
In het nieuwe Nibud-boek ‘Financiële opvoeding? Dat doe je zo! staat het Nibud uitvoerig stil bij alle vragen die ouders kunnen hebben over de financiële opvoeding. Voor ouders komen veel herkenbare situaties aanbod: “mijn zoon geeft geen geld uit, hij pot alles op� of: “kleedgeld is niets voor mijn dochter, binnen een paar dagen geeft ze alles uit�. In het boekje staan praktische adviezen, waarbij het Nibud van mening is, dat kinderen best af en toe fouten mogen maken, omdat ze daarvan leren. Uit onderzoek is gebleken dat volwassenen die als kind hebben geleerd met geld om te gaan, later minder snel financiële problemen krijgen. Vanaf het achttiende levensjaar moet een jongere niet alleen in staat zijn zelf een zorgverzekering af te sluiten, of uit te zoeken of het recht heeft op zorgtoeslag, maar mag het ook duizenden euro’s lenen. Ouders lijken daar niet altijd voldoende bij stil te staan, meent het Nibud.
Financiële Opvoedtest
Naast een boek komt het Nibud op internet met een Financiële Opvoedtest waarmee ouders hun eigen opvoedingskwaliteiten kunnen testen. De test is voor ouders van kinderen van zes tot achttien jaar en laat ouders nadenken over praktische zaken als: ‘uw kind heeft een goed rapport, beloont u dat met geld?’ Ouders krijgen per situatie te zien wat een slimme manier is om hun kinderen voor te bereiden op financiële zelfstandigheid. De opvoedtest is in te vullen op www.nibud.nl/financieleopvoeding.
Achtergronden bij het onderzoek
Het onderzoek Financiële Opvoeding is uitgevoerd door middel van een digitale vragenlijst. Met een artikel in het Telegraafkatern Overgeld is aandacht gevraagd voor het onderzoek. De vragenlijst heeft de zomermaanden online gestaan op www.nibud.nl en www.overgeld.nl. In totaal zijn de antwoorden van 2360 respondenten geanalyseerd. De resultaten zijn representatief voor alle ouders in Nederland met kinderen in de leeftijd van zes tot achttien jaar.
Banken kunnen uitkeringsgerechtigden die hun eigen bedrijf willen beginnen makkelijker aan een lening helpen. Hierover is vanmiddag op het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een overeenkomst ondertekend met vertegenwoordigers van ABN-AMRO, Rabobank Nederland , Fortis bank en de kredietbanken Friesland en Rotterdam.
De overeenkomst maakt het voor de banken eenvoudiger om mee te doen aan een proef die in Leeuwarden, Lelystad en Rotterdam wordt gehouden om uitkeringsgerechtigden met een borgstelling van de overheid aan een starterskrediet te helpen. De proef, die op initiatief van staatssecretaris Aboutaleb wordt gehouden, is op 1 juli van start gegaan.
De rijksoverheid stelt zich in deze proef voor 80% van het geleende bedrag garant, op voorwaarde dat het bedrijfsplan is goedgekeurd door Senter Novem, een dienst van het ministerie van Economische Zaken.
Banken die de overeenkomst hebben ondertekend hoeven niet meer voor elk krediet dat zij verstrekken een aparte afspraak te maken met de overheid over de garantstelling. Zij kunnen kredieten verstrekken 31 500 euro. De proef zal een jaar duren. Voor die periode is maximaal 6 miljoen euro beschikbaar. De eerste kredieten zijn inmiddels verstrekt.
Gemeenten, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) hebben in 2006 voor 179 miljoen euro aan uitkeringsfraude opgespoord. Een jaar eerder was dat nog 166 miljoen euro. De stijging deed zich vooral voor doordat gemeenten meer bijstandsfraude opspoorden, maar ook bij het UWV werd meer fraude opgespoord. Dat schrijft staatssecretaris Aboutaleb van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer bij de Integrale Rapportage Handhaving 2006. Deze rapportage geeft een overzicht van de inspanningen van uitvoerende instanties en van organisaties als de Arbeidsinspectie (AI) en de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst (SIOD) bij het opsporen van fraude op het gebied van sociale zekerheid en werkgelegenheid.
Volgens Aboutaleb werken deze instanties steeds beter met elkaar samen bij het opsporen van fraude. Ook brengen zij beter in beeld waar fraude zich kan voordoen, om die vervolgens gericht op te sporen. Het Internationaal Bureau Fraude-informatie van het UWV doet voor gemeenten onderzoek naar verborgen buitenlands vermogen van bijstandsgerechtigden. In 2006 werd voor 13 miljoen euro aan verborgen buitenlands vermogen opgespoord.
De AI voerde in 2006 elfduizend inspecties uit naar de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV). Bij 2500 bedrijven werden in totaal 5500 illegaal werkende vreemdelingen aangetroffen. In totaal schreef de AI voor 49 miljoen euro aan boetes uit voor overtredingen van de WAV.
De SIOD onderzocht verleden jaar 88 gevallen van complexe fraude op het gebied van sociale zekerheid en arbeidsmarkt. Daarbij werd voor 35 miljoen aan fraude opgespoord. De SIOD stelde zijn kennis over digitale fraude ook aan beschikbaar aan anderen, zoals het UWV, gemeenten en politie.
Het Openbaar Ministerie bracht negentig procent van de aangebrachte zaken voor de rechter. In 2006 leidde slechts twee procent van de zaken tot een vrijspraak voor de verdachte.
Een kwart van de mensen met een bijstandsuitkering is ontheven van de sollicitatieplicht. Het percentage van 25 procent is lager dan tot nu toe was ingeschat. Zij hoeven niet op zoek naar werk of werk te aanvaarden. Dat blijkt uit een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het is voor het eerst dat er statistische gegevens beschikbaar zijn. Volgens het onderzoeksbureau zijn de cijfers niet representatief voor alle gemeenten. Het CBS heeft gegevens ontvangen van 159 gemeenten, waar gezamenlijk bijna de helft van het aantal bijstandsgerechtigden woont.
De Tweede Kamer had om de gegevens gevraagd om inzicht te krijgen wie er in de bijstand zijn vrijgesteld van arbeidsverplichtingen. Uit de cijfers blijkt dat van het aantal alleenstaande ouders in de bijstand 17 procent een ontheffing heeft. Bij ouderen boven de 57,5 jaar is dat 47 procent, bij de groep beneden de 27 jaar 11 procent. De gegevens zeggen overigens niets over het aantal bijstandsgerechtigden dat ontheven is van de re-integratieverplichting.
Uit eerder onderzoek van de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) naar de redenen waarom instromers in de bijstand een ontheffing krijgen, bleek dat het in meer dan de helft van de gevallen gaat om mensen met ziektes.
De cijfers hebben betrekking op eind 2006. Begin volgend jaar beschikt het naar verwachting over landelijke cijfers over het aantal ontheffingen in de bijstand eind 2007.
Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) stopt de overname van het loon van werknemers van een failliet bedrijf zodra die weer aan het werk gaan. Nu betaalt het UWV deze uitkering tot het einde van de opzegtermijn en trekt daarvan de nieuwe inkomsten af. Daarvoor zijn inkomensgegevens van de nieuwe werkgever nodig. Straks hoeft dat niet meer. Deze administratieve lastenverlichting is onderdeel van het wetsvoorstel ter vereenvoudiging van de Werkloosheidswet (WW) van minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat bij de Tweede Kamer is ingediend.
De voorgestelde wetswijziging maakt de uitvoering eenvoudiger en goedkoper, en bezorgt werkgevers minder last. UWV en werkgevers besparen hierdoor samen jaarlijks driekwart miljoen euro aan uitvoeringskosten en administratieve lasten. De maatregel geldt niet alleen voor loon, maar ook voor andere aanspraken als vakantiegeld en pensioenpremies. Bij werknemers die parttime gaan werken, wordt de uitkering gedeeltelijk stopgezet.
De WW biedt – naast de uitkering bij werkloosheid – werknemers een tijdelijke garantie op doorbetaling van loon en andere aanspraken wanneer hun werkgever failliet is of om andere redenen niet meer kan betalen. Dat kan maximaal negentien weken. Het UWV betaalde in 2006 circa 25.000 mensen zo het loon door. Van hen kwamen er naar schatting 5.000 tijdens deze uitkering weer aan het werk.
Het wetsvoorstel regelt ook dat het UWV de zogenoemde overlijdensuitkering aan de nabestaanden van een overleden werknemer overneemt als de werkgever die door een faillissement of om andere redenen niet kan betalen. Die uitkering is maximaal één maandloon.
Fraude door bedrijven met onder meer belasting, premies, subsidies, tewerkstelling van illegalen en fraude op het gebied van voedsel en milieu kan in de toekomst gerichter worden bestreden door beter te kijken naar specifieke risicofactoren. Dit blijkt uit het rapport ‘Fraude in Beeld’ dat de staatssecretarissen Aboutaleb (SZW) en De Jager (Financiën) en de ministers Verburg (LNV), Cramer (VROM) en Hirsch Ballin (Justitie) hebben aangeboden aan de Tweede Kamer.
‘Fraude in Beeld’ bevat de uitkomsten van onderzoek naar de vraag in welke bedrijfstakken mogelijk wordt gefraudeerd naast de sectoren die al in beeld zijn bij de bijzondere opsporingsdiensten. De bijzondere opsporingsdiensten zijn: AID-Dienstonderdeel Opsporing (landbouw, natuur en voedselkwaliteit), FIOD-ECD (financiën en economie), SIOD (sociale zekerheid en arbeidsmarkt) en VROM-IOD (milieu en volkshuisvesting). De opsporingsdiensten hebben het onderzoek samen met het Functioneel Parket en de Douane uitgevoerd. Ruim 1500 ondernemers en 395 fraude-experts werkten er aan mee. Aanleiding voor ‘Fraude in Beeld’ is het kabinetsstreven de opsporing van fraude te verbeteren en de hiervoor beschikbare mensen en middelen zo effectief mogelijk in te zetten.
Tijdens het onderzoek zijn specifieke kenmerken in kaart gebracht die wijzen op een verhoogde kans op fraude binnen branches. Zo blijkt het frauderisico in een bedrijfstak onder andere toe te nemen naarmate er meer ex-fraudeurs opereren die bovendien een zwakke binding met hun sociale omgeving hebben. Het frauderisico neemt ook toe naarmate in een bedrijfstak meer bedrijven starten en stoppen, en er ook meer faillissementen, schuldsaneringen en surseances van betaling voorkomen.
Dergelijke kenmerken vormen gezamenlijk een zogeheten fraude-index. Door branches langs deze ‘meetlat’ te leggen, kan de kans op fraude worden bepaald. Overigens is daarmee nog niet aangetoond dat echt wordt gefraudeerd. Dat kan pas na gericht onderzoek door de bijzondere opsporingsdiensten. De betrokken ministeries en bijzondere opsporingsdiensten zullen het rapport betrekken bij de verdere beleidsvorming en de aanpak van fraude.
Werkgevers die werknemers minder uitbetalen dan het wettelijke minimumloon, krijgen daarvoor direct een boete van de Arbeidsinspectie. De hoogte van de boete hangt af van de mate van ontduiking en bedraagt maximaal 6700 euro per werknemer. Ook kan de arbeidsinspectie deze werkgevers een dwangsom opleggen om ze te verplichten alsnog het minimumloon uit te betalen. De Eerste Kamer heeft ingestemd met het voorstel van de minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in deze zin te wijzigen. De wet gaat op een nader te bepalen datum in.
Er komt een eenvoudigere regeling voor mensen die een uitkering hebben die lager uitvalt dan het sociaal minimum. Tot nu toe zijn deze mensen voor een aanvulling aangewezen op de Toeslagenwet en de zogenoemde kopjesregeling. Dit ingewikkelde systeem wordt nu vereenvoudigd. Dit wetsvoorstel is door demissionair minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de Tweede Kamer gestuurd.
Mensen met een inkomen op of net boven het sociaal minimum kunnen zodra zij een uitkering krijgen, onder het sociaal minimum komen. Het gaat dan over het algemeen om alleenstaande uitkeringsgerechtigden. Zij kunnen voor een aanvulling tot het sociaal minimum een beroep doen op de Toeslagenwet. Als de uitkeringsgerechtigde ondanks deze aanvulling nog onder het sociaal minimum zit, kan hij een bedrag krijgen, een ‘kopje’, op de uitkering. Het systeem is ingewikkeld en bovendien bleken sommige alleenstaande gedeeltelijk arbeidsongeschikten toch nog onder het sociaal minimum te komen. Voor deze groep was er ook een tijdelijke reparatieregeling getroffen.
Het kabinet heeft daarom besloten om de ‘kopjesregeling’ op te heffen en de Toeslagenwet uit te breiden. Hierdoor houden mensen die voorheen een inkomen hadden onder het sociaal minimum, hun oude inkomensniveau. Mensen die voorheen een inkomen hadden op of iets boven het sociaal minimum, krijgen een uitkering op in ieder geval het sociaal minimum. Mensen met een uitkering op het sociaal minimum die daarnaast nog andere inkomsten hebben, raken hun extra ‘kopje’ kwijt. Voor deze mensen geldt een overgangsperiode van twee maanden. De regeling gaat in op 1 januari 2008.
Werknemers en gepensioneerden krijgen meer zekerheid over de (toekomstige) uitbetaling van hun pensioen. Daarvoor worden er eisen gesteld aan de omvang van het eigen vermogen van de pensioenfondsen. Ook krijgen pensioendeelnemers een wettelijk recht op goede voorlichting over hun pensioen. Verder mogen bedrijfspensioenregelingen geen toetredingsleeftijd hanteren van hoger dan 21 jaar (nu bouwen in een aantal bedrijfspensioenregelingen werknemers pas vanaf hun 25ste jaar pensioen op). Dit is de kern van de nieuwe Pensioenwet die is aangenomen door de Eerste Kamer. De nieuwe wet zal de huidige Pensioen- en spaarfondsenwet vervangen en gaat in per 1 januari 2007.
Om de uitbetaling van pensioenen aan deelnemers veilig te stellen, stelt het wetsvoorstel eisen aan de omvang van het eigen vermogen van de pensioenfondsen. Het kabinet heeft met werknemers- en werkgeversorganisaties en De Nederlandsche Bank afgesproken dat een deelnemer gemiddeld slechts éénmaal in de periode van zijn pensioenopbouw (zo’n veertig jaar) kan meemaken dat de reserves van het pensioenfonds lager zijn dan het vereiste minimum.
In de nieuwe Pensioenwet is de medezeggenschap van deelnemers aan pensioenregelingen wettelijk vastgelegd. Dit houdt in dat bedrijfstakpensioenfondsen worden verplicht een deelnemersraad in te stellen. Ondernemingspensioenfondsen kunnen kiezen tussen vertegenwoordiging in het bestuur door gepensioneerden of een deelnemersraad.
Verder scherpt de nieuwe Pensioenwet de eisen voor de voorlichting aan. Pensioenfondsen en verzekeraars moeten hun deelnemers en gepensioneerden duidelijk voorlichten over hun opgebouwde aanspraken en over de aanpassing van hun pensioenen aan de inflatie. Dit moet minstens één keer per jaar gebeuren; na schriftelijke toestemming van de deelnemer kan dit per e-mail. Werknemers die niet langer pensioen opbouwen in een fonds (slapers), moeten eens in de vijf jaar informatie krijgen over opgebouwde aanspraken. Voorlichting over vrijwillige aanvullende pensioenregelingen moet voldoen aan de eisen die ook gelden voor voorlichting over (andere) complexe financiële producten, zodat werknemers de regelingen onderling kunnen vergelijken. Ook de voorlichting over al dan niet aanpassen van de pensioenen aan de inflatie (indexatie) wordt aangescherpt. Als pensioenfondsen pensioenen niet indexeren of hier voorwaarden aan verbinden, moeten zij hun deelnemers en gepensioneerden daarover helder informeren. Als er onduidelijkheid is over het indexatiebeleid van een pensioenfonds, gaat de toezichthouder ervan uit dat de pensioenen onvoorwaardelijk worden geïndexeerd. Dan moeten pensioenfondsen ook voldoende vermogen hebben om aan de indexatieverplichting te voldoen. Daarnaast komt er vanaf 2008 een zogeheten indexatielabel dat de deelnemer meer helderheid geeft over de verwachte indexatie. Hoe dat label er uit zal komen te zien, wordt komend jaar duidelijk.
De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten houden toezicht op de naleving van de wet. De Autoriteit ziet toe op de naleving van de voorschriften over voorlichting. De Nederlandsche Bank controleert de financiële aspecten en alle overige bepalingen.
Het wetsvoorstel bepaalt verder dat bedrijfspensioenregelingen geen toetredingsleeftijd mogen hanteren van hoger dan 21 jaar. Zo wordt de discriminatie van jongere werknemers ten opzichte van oudere werknemers tegengaan. Bovendien is het wenselijk dat het aantal mensen zonder aanvullende pensioenopbouw verder afneemt.
Blijkt na evaluatie over het jaar 2006, die medio 2007 zal plaatsvinden, dat het aantal werknemers zonder aanvullende pensioenopbouw niet aanzienlijk is gedaald, dan zal een volgend kabinet bezien of, en zo ja welke wettelijke maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat meer werknemers aanvullend pensioen opbouwen.